Juffrouw Nellie

Bron:  lustrumboek 1960-1985 
Door: T. Arends

Lieve juffrouw Nellie,

Toen uit de bestofte stapels GrimGrammen, Almanakken en al die andere Nieuwe Delft paperassen op onze zolder jouw foto te voorschijn kwam, wist ik dat er geen collage van knipsels uit mijn handen zou komen, zoals met Friso (meneer Broeksma dus) afgesproken was, maar dat ik je nu eindelijk zou schrijven. 

Jouw verschijning als kookster in De Bolk betekende immers dat onze status als goedwillende doe ‘t zelvers ineens groeide naar die van een echte sociëteit mét eettafel. En nadien hebben we zoveel lief en leed gedeeld dat onze geschiedenissen vrijwel zijn samengesmolten. 

Neem me niet kwalijk dat ik 25 jaar gewacht heb met schrijven en dat ik niet meer weet wat er van je geworden is. Waar je ook bent, hier of niet meer hier, ik hoop dat dit bericht je bereikt en dat je met ons nog eens even aan die verdomde goede tijd wilt terug denken. 

Pas nu realiseer ik mij dat jij de vrouw bent waaraan ik van die beginjaren de dierbaarste herinneringen bewaar. Jij was de eerste die mij het gevoel gaf ‘mijnheer de student’ te zijn. Niet alleen omdat je ons met meneer aansprak, maar omdat het toen ook de moeite waard bleek ons als meneer te gedragen. Nou……..meneer? Je moet af en toe je ogen hebben uitgekeken en (hopelijk) je oren dichtgestopt. Maar je begreep toch dat smijten met aardappels niet te maken had met de kwaliteit daarvan en dat de aan repen gescheurde brasjasjes, de ondergespuugde plee en de niet meer weg te schrobben bierluchten bij het ritueel hoorden, waarvan je altijd op het juiste moment verwijderde.

Wat ik zo geweldig van je vond was dat je als enige begreep dat mijn speeches die ik bij gelegenheid tot je richtte inderdaad bedoeld waren om van ontroering een traantje weg te pinken of om hartelijk te lachen. Je begreep eigenlijk alles. Ook als je wel eens wat te lang op je centen moest wachten. Dan gaf H. je er soms van langs en wij schaamde ons natuurlijk dood. 

 Wij (van het sociëteitsbestuur) kwamen zo nu en dan bij je op bezoek. Thuis, in een piekfijn opgedofte huisje . Ik weet zeker dat we dan een jasje aanhadden, met das en broek met omslag. Maar die droegen we eigenlijk altijd dag en nacht. Want , mijn god , wij Nieuwe Delfters, wisten ons te conformeren…….!

 Dat huisje van je bestaat natuurlijk nog, maar ik ben er bewust niet langs gereden. Er wonen nu ongetwijfeld studenten, die affiches  van Nicaragua op je ruiten plakken en berenklauwen op je stoep hebben geplant.

 Gedurende die lange vakanties van ons was het stil op De Bolk. Dan ging je zelf ook op vakantie, met H. naar Duitsland, als ik me goed herinner. Echt fijn vond je dat geloof ik niet. Pas als alles weer normaal draaide en de groentijd voorbij was (dat de jongens kaal geschoren werden vond je erg zielig; waarom dat zo nodig moest konden we eigenlijk ook niet zo goed uitleggen), pas dan was je weer in je element. 

 Juffrouw Nellie, ‘old soldier’ uitleggen ‘hoe’ het was in de eerste jaren lukt natuurlijk nooit. Althans niet aan hen die het niet hebben meegemaakt. Het gaat ze trouwens geen barst aan. Onze herinneringen zijn van ons.

 Het ga je goed.